Wajong
Inleiding
Per 1 januari 2010 is de nieuwe Wajong in werking getreden. In de nieuwe Wajong staat het recht op arbeidsondersteuning centraal, en niet meer het recht op een uitkering. De nieuwe wet is daarom ook anders gaan heten: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), in plaats van: Wet arbeidsongeschiktheids-voorziening jonggehandicapten.
Nu, ruim een jaar na dato van invoering, is geconstateerd dat de informatie rondom de nieuwe WAJONG niet of onvolledig bekend is bij ouders, leerlingen en docenten op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs Cluster 3 en 4.
Deze veranderende wetgeving Wajong heeft veel meer consequenties voor de jongeren op het voortgezet speciaal onderwijs Cluster 3 en 4 dan nu bekend is.
Daarom wil de Landelijke Vereniging Cluster 3 en 4, in samenwerking met de Vereniging Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs, platform VG en de ketenpartner UWV ten aanzien van de Wajong een omslag in denken bereiken bij de leerlingen/ jongeren op de scholen, bij hun ouders en de docenten op de scholen. Deze omslag in denken is de verandering van consument naar een meer actievere participant van en in de maatschappij. Dit willen genoemde partners bereiken door in dit project instrumenten te ontwerpen en/of te ontwikkelen die gebruikt gaan worden voor de interactie met de doelgroepen ouders en leerlingen, scholen en docenten en stagedocenten in het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs.
De instrumenten bestaan uit:
- een update van het handboek “Van School naar Werk”, voor het voortgezet speciaal onderwijs, beschikbaar september 2011;
- een werkschrift (module) ‘Van School naar Werk” voor leerlingen, waarin ze worden voorbereid op werken met daarin specifieke aandacht voor de training en vorming richting werk en niet richting uitkering, beschikbaar september 2011;
- twee nieuwsbrieven “Van School naar Werk” met informatie over actuele ontwikkelingen m.b.t. van school naar werk, beschikbaar juni 2011 en september 2011;
Waarom nieuwe wetgeving Wajong?
Uit cijfers van UWV blijkt dat sinds het midden van de jaren 90 van de vorige eeuw en vooral na 2002 de instroom in de Wajong elk jaar sterker stijgt dan op grond van de verandering van de risicopopulatie verwacht kan worden. Volgens prognoses van UWV is een flinke toename van het aantal jongeren met een functiebeperking en Wajongers te verwachten, van circa 156.000 in 2006 tot ongeveer 300.000 in 2040.
Op 31 oktober 2006 stuurde de toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een adviesaanvraag over de bevordering van de arbeidsparticipatie van personen met recht op een uitkering op grond van de Wajong aan de Sociaal Economische Raad (SER). De SER adviseert kabinet en parlement over de hoofdlijnen van het te voeren sociaaleconomisch beleid.
In de SER werken onafhankelijke kroonleden, werkgevers en werknemers samen. Centraal in de adviesaanvraag staat de wens de deelname van Wajongers aan reguliere arbeid te vergroten. Op dat moment participeerde slechts 9 procent in arbeid bij een reguliere werkgever.
In het SER-advies “Meedoen zonder beperkingen” (augustus 2007) geeft de SER aan bezorgd te zijn dat nog steeds zo weinig mensen met functiebeperkingen participeren op de arbeidsmarkt; velen van hen zouden dat naar verwachting wel kunnen en ook willen. In dat perspectief kan volgens de SER niet worden volstaan met het verstrekken van een levenslange, minimale uitkering. De te verwachten toename van het aantal Wajongers noodzaakt volgens de SER dan ook tot extra inspanningen om hen op een goede manier te helpen te participeren in de samenleving, via werk dat bij hen past.
Dat vraagt om grote gezamenlijke inspanningen van de betrokken actoren op alle niveaus: de overheid, het onderwijs, werkgevers en uiteraard de Wajongers en jongeren met functiebeperkingen zelf en hun ouders. Volgens de SER is het een maatschappelijke opdracht om er alles aan te doen de participatiedrempels voor mensen met functiebeperkingen te slechten of in ieder geval zo laag mogelijk te laten zijn. Nu ligt de nadruk nog teveel op wat hen beperkt of wat hun grenzen zijn, in plaats van op wat ze wel kunnen.
Volgens de SER is het onderwijs cruciaal bij de voorbereiding van jongeren met een functiebeperking op hun latere participatie. De oriëntatie op werk start op school. De raad constateert dat bij een deel van de onderwijsinstellingen participatie van jongeren met functiebeperkingen in één van de vormen van werk nog niet overal als vanzelfsprekend wordt gezien.
De SER vraagt het kabinet de activerende werking van de relevante (wettelijke) regelingen en voorzieningen (in het bijzonder de Wajong, de Wsw en regelingen op het terrein van onderwijs en arbeidsinschakeling) te vergroten, onder garantie van de beschermingsfunctie. Regelgeving moet stimuleren dat Wajongers en jongeren met functiebeperkingen optimaal kunnen participeren op een voor hen passende manier. In een aantal gevallen staan de ‘prikkels’ in de huidige regelgeving participatie juist in de weg of bevorderen ze zelfs ondoelmatig gedrag van de verschillende actoren (perverse effecten).
Ook de regering vindt dat iedereen in de samenleving zoveel mogelijk moet meedoen. De regering is van mening dat in onze huidige samenleving arbeid meer is dan alleen een middel om inkomen te verwerven. Het biedt de mogelijkheid om ‘bij te blijven’ in een veranderende samenleving en een gelegenheid om nieuwe kennis en vaardigheden op te doen. Meer nog dan inkomen is werk een middel tot ontplooiing, zingeving en integratie.Link naar SZW. De regering vindt het sociaal, maatschappelijk en financieel onaanvaardbaar dat steeds meer jongeren met een beperking zo vroeg in hun leven aan de kant staan of dreigen te komen staan doordat ze tot hun 65e jaar met een uitkering in de Wajong worden geparkeerd. Vanuit die optiek wil de regering de Wajong zo veranderen dat de nadruk ligt op wat jongeren nog wel kunnen in plaats van wat ze niet kunnen.
De nieuwe Wajong per 1 januari 2010
“Uitgangspunt is wat jongeren wél kunnen, in plaats van wat zij niet kunnen. Voor alle jongeren geldt dat zij in principe moeten werken of leren. Dit geldt ook voor jongeren met een beperking.”
Arbeidsondersteuning
In de nieuwe Wajong staat het recht op arbeidsondersteuning centraal, en niet meer het recht op een uitkering. De nieuwe wet gaat daarom ook anders heten: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), in plaats van de benaming: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Jongeren worden op grond van de nieuwe Wajong tijdens de beoordeling door UWV
ingedeeld in één van de onderstaande groepen:
• De jongere is niet arbeidsongeschikt, kan meer dan 75% verdienen van het voor hem/haar geldende minimumloon
• De jongere kan nog wel werken (werkregeling)
• De jongere is student
• De jongere kan nog niet werken, maar later wel
• Werken is niet mogelijk, nu niet en in de toekomst ook niet
Voor jongeren die wel perspectief hebben (circa 70% van de huidige instroom), wordt gekeken wat zij kunnen (ontwikkelen) en hoe dit gerealiseerd kan worden. Voor deze groep bestaat de ‘Werkregeling jonggehandicapten’ binnen de Wet Wajong.
Werkregeling jonggehandicapten
Voor deze regeling geldt, in aansluiting op de regeling voor het werkleerrecht van jongeren (Wet investeren in jongeren (WIJ) ), vooralsnog de leeftijdsgrens van 27 jaar. Op 27 jarige leeftijd vindt de definitieve beoordeling plaats over blijvende toepassing van de Wet Wajong.
Jongeren met een beperking die zelf geen werk vinden, maar een beroep willen doen op ondersteuning, kunnen die via het UWV krijgen. Een individueel participatieplan geeft concreet aan wat iemand al dan niet met behulp van re-integratie-instrumenten, zou kunnen en welke ondersteuning daarbij nodig is. Het plan geeft de wijze weer waarop de arbeidsondersteuning van de jongere wordt vormgegeven.
De arbeidsondersteuning kan onder meer het volgende omvatten: werkplekaanpassing, begeleiding en ondersteuning bij het vinden van werk, vervoersvoorzieningen, een jobcoach, ondersteuning bij het starten van een eigen bedrijf, een werkaanbod door het UWV, een re-integratietraject, scholing of studie.
De ‘Werkregeling jonggehandicapten’ gaat ervan uit dat iedere jonggehandicapte inkomen heeft en dat (meer) werk moet lonen. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen jonggehandicapten inkomensondersteuning aanvragen. Afhankelijk van de daadwerkelijke verdiensten, varieert de inkomensaanvulling.
Werkaanbod
Als het UWV een baan aanbiedt waarbij de jonggehandicapte geen 20% van het wettelijk minimumloon kan verdienen, zal een aanvulling worden gegeven tot 75% van het wettelijk minimumloon. Een weigering van werkaanbod of het niet meewerken aan re-integratie leidt tot beëindiging van de inkomensondersteuning.
Inkomensondersteuning
Voor wie als gevolg van zijn ziekte volledig en duurzaam niet (meer) in staat is om te werken, staat inkomensbescherming voorop. Jongeren die om medische of arbeidskundige redenen geen enkel perspectief hebben op een gewone baan, ook niet met ondersteuning, blijven recht hebben op een ongewijzigde Wajong-uitkering (75% van het wettelijk minimumloon). Ook de inkomensondersteuning van de jongeren in de werkregeling die wel zouden kunnen werken in een gewone baan, maar buiten hun schuld niet werken is 75% van het wettelijk minimumloon.
De inkomensondersteuning in de werkregeling kent twee fasen. De eerste fase begint na de voorlopige beoordeling van de jonggehandicapte doorgaans vlak voor de 18e verjaardag en eindigt op 27-jarige leeftijd als de definitieve beoordeling plaatsvindt.
Als de jonggehandicapte (jonger dan 27 jaar) werkt en daarmee tot 20 procent van het wettelijk minimumloon verdient, vult de overheid zijn inkomen aan tot 75 procent van het wettelijk minimumloon.
Verdient de jonggehandicapte meer dan 20 procent van het wettelijk minimumloon, dan mag hij de helft van iedere 'extra' verdiende euro houden, zodat zijn inkomen hoger is dan 75 procent van het minimumloon en (meer) werken ook loont. Met de overheidsaanvulling kan zijn totale inkomen oplopen tot 100 procent van het minimumloon. Het totaal van de inkomensondersteuning en het inkomen uit arbeid mag niet meer dan 100% van het wettelijk minimumloon zijn.
School of studie
Er is een aparte inkomensondersteuning voor jonggehandicapten die op school zitten of studeren. Naast studiefinanciering kunnen zij een inkomensondersteuning krijgen ter hoogte van 25 procent van het wettelijk minimumloon.
Definitieve beoordeling
Bij de definitieve beoordeling van de jonggehandicapte, uiterlijk op 27-jarige leeftijd
– de tweede fase -, wordt vastgesteld wat hij ondanks zijn handicap nog kan verdienen (resterende verdiencapaciteit), al dan niet met arbeidsondersteuning. Als de jonggehandicapte vanaf zijn 27ste zijn resterende verdiencapaciteit volledig benut, kan hij een inkomensondersteuning krijgen die zijn inkomen uit arbeid aanvult tot het wettelijk minimumloon. Voorwaarde is wel dat hij bereid is om te werken.
Waar moet de verandering toe leiden?
De regering wil dat iedereen in de samenleving meedoet, het liefst met een betaalde baan. Dat is belangrijk voor de economische ontwikkeling van Nederland en voor de sociale samenhang. De regering wil met de vernieuwing van de Wajong het vermogen van jonggehandicapten versterken en voorkomen dat zij voor de rest van hun leven buiten spel worden gezet. De primaire doelstelling voor participatie voor jongeren met een beperking luidt als volgt: voor iedereen die (gedeeltelijk) mee kan doen moet arbeidstoeleiding en duurzame arbeidsparticipatie gerealiseerd worden: WERKEN NAAR VERMOGEN.
Daarnaast moet ook het onderwijs meer gericht worden op werk voor jongeren met een beperking en is er een cultuuromslag nodig in het beleid en bij professionals die met deze jongeren werken. Het gaat om een andere manier van kijken, denken en handelen: het zogenaamde omslagdenken. In deze nieuwsbrief staat waarom ten aanzien van de Wajong een omslag in denken moet plaats vinden bij de leerlingen/ jongeren op de scholen, bij hun ouders en de docenten op de scholen.
bespreken in werkoverleggen, te bespreken tijdens ouderavonden, te bespreken tijdens individuele leerling-gesprekken of daar waar u denkt dat het noodzakelijk is om te komen van nieuw denken naar nieuw doen. LEREN MAAK ER WERK VAN!!!
Hoe gaan we nu verder?
Vanuit het project Leren, maak er werk van, dat gefinancierd wordt door het programmamanagement Cultuuromslag Wajong, van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), wordt allereerst informatie aangeboden, bestaande uit een handboek voor alle scholen (docent informatie) en een werk schift (leerling informatie), ondersteund door een volgende nieuwsbrief die in september uitkomt.
Naast informatie worden 3 ambassadeurs beschikbaar gesteld aan de VSO scholen voor de regio’s Noord, Midden en Zuid. Zij hebben de taak om de informatie toe te lichten aan docenten, ouders en leerlingen, op regio en schoolniveau bezoeken te brengen aan de scholen, telefonische vragen te beantwoorden, of via email, enz. Zij zijn er dus voor u als school.
De ambassadeurs zijn:
| Regio | Ambassadeur |
| Noord | Freerk steendam, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. , 06 26 89 90 10 |
| Midden | Marius Sparreboom, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. , 06 51 58 59 76. |
| Zuid | Patty van Baalen, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. , 06 20 25 24 51 |
Freerk Steendam, projectleiding.
De Wajong tot 1 januari 2010 verschilt met de Wajong vanaf 1 januari 2010.
De belangrijkste verschillen op een rijtje.
|
Uitkering of werk? |
|
| Wajong vóór 1 januari 2010 | Wajong vanaf 1 januari 2010 |
| Het regelen van een Wajong-uitkering staat centraal. Daarnaast krijgt je hulp bij het vinden van werk en het behouden van werk. | Werk vinden en behouden en de hulp die de jongere daarbij krijgt staan centraal. Als de jongere nog kan werken, wordt samen met de arbeidsdeskundige bij UWV een participatieplan gemaakt. Dat is een plan waarin staat wat de jongere gaat doen en welke ondersteuning hij/zij nodig heeft. In het plan staat ook wat de beste manier is voor de jongere om een baan te vinden. Na het opstellen van het participatieplan volgt de beslissing over de Wajong-uitkering. |
| Wanneer krijgt de jongere Wajong-uitkering? | |
| Wajong vóór 1 januari 2010 | Wajong vanaf 1 januari 2010 |
| Je kunt een Wajong-uitkering krijgen nadat je 52 weken arbeidsongeschikt bent geweest en als je 18 jaar of ouder bent. Je kunt je uitkering in sommige gevallen met terugwerkende kracht krijgen. |
Je kunt een uitkering krijgen 16 weken nadat UWV een aanvraag ontving. Je moet dan wel al 52 weken arbeidsongeschikt zijn geweest en 18 jaar of ouder zijn. Ook moet UWV verwachten dat de jongere niet binnen 1 jaar zal herstellen. Je krijgt je uitkering niet met terugwerkende kracht. Ben je volledig en duurzaam arbeidsongeschikt? Dan krijgt je wel een Wajong-uitkering vanaf de datum waarop UWV de aanvraag heeft ontvangen. |
| Beoordeling en herbeoordeling? | |
| Wajong vóór 1 januari 2010 | Wajong vanaf 1 januari 2010 |
| Je krijgt een beoordeling na je aanvraag. Er volgt alleen een herbeoordeling als daar een duidelijke reden voor is. Bijvoorbeeld als je gezondheid verbetert of verslechtert. Door de herbeoordeling kan je uitkering lager of hoger worden, of gelijk blijven. | Je krijgt niet meteen een eindbeoordeling. Tussen je 18e en 27e jaar bekijkt UWV via tussentijdse evaluaties en herbeoordelingen of je meer of minder kunt werken. De definitieve beoordeling krijg je als je 7 jaar een Wajong-uitkering krijgt én ten minste 27 jaar bent. Na deze beoordeling volgt er alleen een herbeoordeling als daar een duidelijke reden voor is. |
| Hoe wordt de hoogte van uw Wajong-uitkering bepaald? | |
| Wajong vóór 1 januari 2010 | Wajong vanaf 1 januari 2010 |
| Om de hoogte van de uitkering te berekenen, kijkt UWV wat je zelf nog kan verdienen en wat je zou verdienen als je niet arbeidsongeschikt was. Met deze informatie bepalen de verzekeringsarts en de arbeids-deskundige van UWV je arbeidsongeschikt-heidsklasse. Bij elke arbeidsongeschiktheidsklasse hoort een uitkeringspercentage. Het is niet altijd zo dat werken loont. |
Er zijn geen arbeidsongeschiktheidsklassen meer. Je wordt ingedeeld in 1 van de volgende groepen: 1. Je kunt werken. 2. Je gaat naar school of u studeert. 3. Je kunt nu nog niet werken, maar later wel. 4. Je kunt nu niet werken, en in de toekomst ook niet. Werk loont bijna altijd. Je uitkering wordt vastgesteld op basis van het loon dat je met werken verdient. Je krijgt maximaal 75% van het minimumloon. |
Berichten 


